In 1495 komt Gerrit Jansz Trip vanuit het Duitse Emmerik over de Rijn en vestigt zich in Bommel. Hij koopt een huis aan de Kerkstraat en legt daarmee de basis voor een van de meest opmerkelijke handelsfamilies van de stad. Zijn naam komt van het houten schoeisel dat zijn voorouders maakten en verkochten: trippen, klompen met een leren band over de wreef. In het familiewapen staan er drie afgebeeld. Van schoenmaker tot koopman: de Trips klimmen snel.
Zijn zoon Jan Gerritszoon Trip wordt geboren in 1500 en woont zijn hele leven in datzelfde huis aan de Kerkstraat. Hij handelt in hout, graan en ijzer. Hij bezit een schip dat hij later verkoopt in Dordrecht. Hij pacht het veer over de Waal, wat hem stabiele inkomsten oplevert naast de handel. Zijn broers Mattheus en Cornelis vertrekken naar Dordrecht. Jan blijft. Maar zijn blik reikt verder dan Bommel. Via zijn contacten in Emmerik, Lübeck en Amsterdam loopt zijn handelspraktijk naadloos mee met de Hanzeroutes die heel Europa doorkruisen.
In het pakhuis aan de Ruiterstraat liggen grote partijen hout hoog opgetast. Er zijn net een flinke lading wol en een koggeschip met planken binnengekomen. Jan inspecteert de voorraad, besprak met zijn administrateur wat gekeurd moet worden en wat voor de lokale markt bestemd is. Troebele tijden zijn goed voor de houthandel, bedenkt hij tevreden. Er is veel afgebrand de afgelopen jaren. Alles moet weer opgebouwd worden. En voor bouwen heb je hout nodig.
In de herberg op de Markt worden zaken beklinkt. Jan neemt plaats aan zijn vaste tafel, zijn klerk Mattheus een stap achter hem met papier en loodstift in de aanslag. Er staan stenen drinkkannen op tafel, brood, kaas en worst, een schaal gepofte kastanjes. Een partij hout gaat naar Dordrecht: zijn broers nemen het daar onder hun hoede. De overeenkomst wordt thuis netjes opgesteld, nagelopen door zijn vrouw en bezegeld met zijn rode zegel. Zo makkelijk is dat.
Want Bommel heeft zijn eigen munt. Al voor het jaar 1000 had de stad een muntgebouw. De Bommelaerstuivers zijn stabiel en betrouwbaar. Kooplieden als Jan weten dat een goede munt het fundament is van goede handel. Zonder stabiel geld geen stabiele prijzen, en zonder stabiele prijzen geen betrouwbare overeenkomsten. Jan heeft door zijn handen in de loop der jaren meer Bommelaers laten gaan dan hij zou kunnen tellen.
Na een werkdag loopt Jan terug naar het huis dat zijn vader kocht en dat sindsdien In de Trip heet. Het is niet het grootste huis van Bommel, lang niet zo imponerend als het pand van de schout, maar Jan is er gelukkig. Het is van steen, soliede en goed gelegen: niet te ver van de molens, niet te ver van het pakhuis, niet te ver van de haven. De gevel helt licht naar voren, om het regenwater goed af te voeren. De zijmuren en tussenmuren zijn van steen, wat het huis bijzonder brandveilig maakt.
Achter in het huis, in de kleine hangkamer die als een vide boven de voorkamer is gebouwd, zit zijn vrouw geld te tellen. Kaarsen zijn niet aangestoken: ze is spaarzaam. Ze weegt de geldzakjes, controleert de waarde en schrijft zorgvuldig bij hoeveel er verdiend is en hoeveel er uitgegeven mag worden. Ze rekent als de beste, zet moeiteloos Lübeckse koersen om naar Bommelaers en remt zijn neiging tot overinvesteren op precies het juiste moment. Hij heeft het getroffen. "Als we vijftien tot achttien gulden per jaar rekenen, gaan de kosten voor vijf jaar voor de baat uit," zegt ze zonder op te kijken. Ze bedoelt de cameren die ze willen laten bouwen, om te verhuren aan gildeleden. Vaste huurders, vaste inkomsten. Jan knikt. Ze heeft gelijk. Ze heeft altijd gelijk.
De kleinzonen van Jan zetten het werk voort op een schaal die hij zelf niet had kunnen voorzien. Zijn kleinzoon Elias trouwt met een Luikse dame uit de familie De Geer, rijke ijzerhandelaren. Jacob doet hetzelfde met haar zus. Samen worden Elias en Jacob Trip de grondleggers van het Trippenhuis in Amsterdam, een van de indrukwekkendste koopmanspanden van de Gouden Eeuw. De familie heeft ook een grafkelder in de Sint-Maartenskerk in Bommel. Die is verloren gegaan, maar de plek is dankzij een oude plattegrond bekend gebleven.
Jan zelf overlijdt in 1586. Een familielid met dezelfde naam, Jan Trip Janssen, loopt het jaar daarvoor al een tragisch lot tegemoet. Als waard van de herberg in de Korte Steigerstraat weigert hij op 4 augustus 1586 een dronken soldaat meer wijn te schenken. De ruzie loopt volledig uit de hand. Een half uur later is Jan Trip Janssen dood. In het begraafboek staat het simpel maar hard: "doorstoken ende gestorven." De stad rouwt. De familie gaat verder.
Wandel door middeleeuws Zaltbommel in de voetsporen van Jan Gerritszoon Trip, handelaar en schipper in de bloeiende Hanzestad. Ontdek koopmanshuizen met trapgevels, pothuizen en luiken, de plek van het voormalige muntgebouw en het woonhuis van de familie Trip aan de Kerkstraat.